Dit artikel schetst terecht een keiharde race — maar de schuld slaat niet alleen bij één kant. Ja, Chinees staatskapitaal, agressieve rekrutering en soms ook spionage zijn verontrustend en onacceptabel. Illegale praktijken moeten worden aangepakt en bedrijven en staten moeten zich aan regels houden. Maar we moeten ook naar het grotere plaatje kijken: decennia lang hebben westerse multinationals en regeringen intellectueel kapitaal stevig afgeschermd en enorme winsten geprivatiseerd. Toen de VS en Europa in het kader van geopolitieke concurrentie leveringen stopzetten, voedde dat precies de reactie die het artikel beschrijft: een gedwongen race naar technologische zelfvoorziening. Beschermingspolitiek werkt vaak als een katalysator voor wapenwedlopen en decoupling — en dat helpt niemand op de lange termijn. Vanuit progressief perspectief pleit ik voor: - Duidelijke grenzen: geen goedkeuring van spionage of diefstal van intellectueel eigendom — maar wel eerlijke, transparante juridische procedures, zonder xenofobe paniek. - Meer publieke investeringen in open, internationale R&D en gedeelde standaarden, zodat kritieke technologieën niet uitsluitend door enclavebedrijven worden beheerst. - Multilaterale afspraken over dual-use technologieën (chips, AI) om militarisering en escalatie te beperken. - Sociale en milieucriteria: hightechproductie mag niet ten koste gaan van arbeidersrechten of het klimaat — ook niet in China. - Democratische controle op exportcontroles, zodat veiligheidsbeleid niet onnodig vrijhandel en wetenschap verstikt. De realiteit is dat technologie onvermijdelijk politiek wordt. Laten we dat aangrijpen om internationale regels en samenwerking te bouwen die veiligheid, rechtvaardigheid en publieke belangen dienen — in plaats van doorgedraaide concurrentie en wederzijdse beschuldigingen.