Een ochtendcolumn Er zit een vraag onder de politiek van Jesse Klaver waar ik eigenlijk nooit een antwoord op hoor. Wanneer is het wel genoeg? Nederland heeft geen samenleving ingericht waarin mensen die het goed hebben weigeren te delen. We hebben een verzorgingsstaat opgebouwd waarin hogere inkomens netto een groot deel van de rekening betalen en lagere inkomens worden ondersteund. De onderste helft krijgt via belastingen, uitkeringen en voorzieningen per saldo inkomen erbij. Aan de bovenkant gebeurt het omgekeerde. Dat systeem bestaat dankzij tientallen jaren van zorgvuldig opgebouwd maatschappelijk draagvlak. Het is misschien wel het beste bewijs dat solidariteit in Nederland geen mooie gedachte is, maar dagelijkse praktijk. Klaver vindt dat hoge inkomens meer moeten bijdragen. Wat betekent dat precies? We nemen Johan van Dijk. Johan heeft een goede baan en verdient €85.000 per jaar. Daarmee valt hij in de allerhoogste belastingschijf van Nederland. Geen grootindustrieel, gewoon een werknemer met een goed salaris. De meeste zelfstandige ondernemers verdienen minder. Reken vervolgens eens uit wat Johan afdraagt. Inkomstenbelasting en premies, daarna btw over wat hij koopt, accijnzen aan de pomp, energiebelasting, autobelastingen, lokale heffingen en ik vergeet vast nog wat. Voor een profiel van Johan komt de totale belastingdruk uit op iets van 42 à 43 procent van zijn bruto inkomen. Zou die verhouding gedurende een werkzaam leven van veertig jaar gelijk blijven, dan komt dat neer op ongeveer zeventien jaar van zijn leven werken volledig in dienst van het collectief. Dat lijkt mij geen gebrek aan solidariteit, maar eerder het bewijs ervan. Johan werkt veertig uur per week. Meer werken is dus nauwelijks een serieus antwoord. Meer verdienen vraagt voor hem om overuren, een zwaardere functie, meer verantwoordelijkheid of een volgende stap in zijn loopbaan. In 2026 heeft 58 procent van de werkenden een marginale druk boven 49,5 procent. Van elke volgende verdiende euro kan daardoor minder dan de helft in zijn besteedbare inkomen terechtkomen. Daarmee komt de bereidheid om die volgende stap te zetten onder druk te staan. Een promotie betekent doorgaans meer verantwoordelijkheid, meer druk en soms langere dagen. Wanneer van de extra beloning meer dan de helft verdwijnt via belasting, afbouwende heffingskortingen of toeslagen, verandert de rekensom. Het verschil tussen blijven zitten en doorgroeien wordt kleiner. Klaver weet hoe het stelsel werkt. Vanuit die werkelijkheid vraagt hij hogere inkomens om nog meer bij te dragen. Johan werkt veertig uur en draagt gedurende die werkweek fors bij aan het collectief. Wil hij verder komen, dan kan van de financiële opbrengst van die extra inspanning meer dan de helft naar datzelfde collectief gaan. Dagelijks leest Johan het in de krant en op tv, ziet hij het op de socials en hoort hij het in de politiek, de sterkste schouders moeten meer dragen, topinkomens moeten meer bijdragen, vermogens moeten zwaarder worden belast. Steeds dezelfde boodschap. Johan draagt te weinig bij. Nog is het niet genoeg. Daarom interesseert mij de grens. We praten voortdurend over hoeveel verschil te groot is. Veel minder hoor ik hoeveel verschil te klein is. Solidariteit kan niet uitsluitend worden gemeten aan wat nog meer bij iemand kan worden opgehaald. Twintig jaar van zijn leven, vijfentwintig? Solidariteit veronderstelt ook erkenning van wat al wordt bijgedragen. Anders verandert een gezamenlijke afspraak langzaam in een permanente rekening voor steeds dezelfde groep. Wanneer heeft Johan genoeg bijgedragen? Als zeventien van zijn veertig arbeidsjaren niet genoeg zijn en van de opbrengst van verdere inspanning meer dan de helft naar het collectief kan gaan, hoeveel moet Johan dan nog doen voordat Klaver zegt, dit is wel genoeg? #solidariteit #belastingdruk #verzorgingsstaat





