Twee grote Nederlandse onderzoeken naar de opvattingen van jongeren over homoseksualiteit geven binnen vrijwel dezelfde periode een totaal verschillend beeld. In maart publiceerde de Universiteit van Amsterdam een groot onderzoek onder ruim 31.000 Nederlandse middelbare scholieren. De onderzoekers keken naar de ontwikkeling van lhbtiq+-opvattingen tussen 2021 en 2024. Hun conclusie was helder. De opvattingen waren grotendeels stabiel gebleven. Er was een kleine verschuiving in conservatieve richting. Een halfjaar later verschijnt het HBSC-onderzoek van de Universiteit Utrecht en het Trimbos-instituut. Ook een groot Nederlands onderzoek onder scholieren. Daar komt een heel ander beeld uit. Tussen 2021 en 2025 daalt het aandeel jongens met een positieve houding tegenover homoseksualiteit van ongeveer 40 naar 22 procent. Bij meisjes van 78 naar 51 procent. Dat zijn geen nuances. Het ene onderzoek ziet over 2021 tot 2024 nauwelijks verandering. Het andere meet over 2021 tot 2025 een daling van 18 procentpunt bij jongens en 27 procentpunt bij meisjes. De onderzoeksperioden overlappen vrijwel volledig. De eerste journalistieke vraag ligt dan voor de hand. Hoe kunnen twee grote Nederlandse onderzoeken over vrijwel dezelfde jaren zulke verschillende beelden opleveren? De NOS stelt die vraag niet. Het UvA-onderzoek wordt zelfs niet genoemd. De lezer krijgt dus niet te horen dat enkele maanden geleden een groot Nederlands onderzoek verscheen dat een wezenlijk ander beeld gaf. In plaats daarvan gaat de NOS uitgebreid op zoek naar oorzaken voor de daling. De ontwikkeling zou ‘niet uit de lucht komen vallen’. Daarna volgen politici die seksuele diversiteit ter discussie stellen, een conservatief-christelijke campagne rond Lentekriebels, weerstand tegen regenboogvlaggen en Paarse Vrijdag, sociale media, de manosphere en Andrew Tate. Pas daarna vermeldt de NOS dat volgens de onderzoekers meer onderzoek nodig is om een causaal verband tussen dergelijke ontwikkelingen en de verminderde acceptatie van homoseksualiteit aan te tonen. Desinformatie wordt in hetzelfde artikel aangevoerd als mogelijke verklaring voor veranderende opvattingen onder jongeren, terwijl de NOS zelf een uitgebreid verklarend verhaal bouwt rond verbanden waarvan de onderzoekers zeggen dat de causaliteit niet is vastgesteld. Ondertussen blijft het recente onderzoek dat een wezenlijk ander beeld laat zien volledig buiten beeld. De NOS heeft een enorm bereik en bericht hier over een gevoelig onderwerp waarin homoseksualiteit, religie, politiek en jongeren bij elkaar komen. Dan mag je verwachten dat onzekerheid in het onderzoek het vertrekpunt van de journalistiek is. Als twee grote Nederlandse onderzoeken over vrijwel dezelfde periode zo verschillend uitpakken, onderzoek je eerst dat verschil. Daarna kun je proberen te verklaren wat er maatschappelijk is gebeurd. Hier gebeurt het omgekeerde. Een spectaculaire ontwikkeling wordt als uitgangspunt genomen, een relevant onderzoek met een afwijkende uitkomst blijft buiten beeld en vervolgens krijgt de lezer een reeks mogelijke oorzaken voorgeschoteld waarvoor het causale bewijs ontbreekt. Daarmee ontstaat een verhaal dat stelliger oogt dan de wetenschap waarop het is gebaseerd. Dat is nu juist het risico waarvoor goede journalistiek ons zou moeten behoeden. Nederlandse jongeren zijn veel negatiever gaan denken over homoseksualiteit https://t.co/0Ee97N6tWP #homoseksualiteit #jongeren #onderzoek