BETA nonprofit public democratic european moderated

Tadek Solarz

20 posts
Profile compiled from news and social media. Claim profile

Tadek Solarz

1 Followers

Twee grote Nederlandse onderzoeken naar de opvattingen van jongeren over homoseksualiteit geven binnen vrijwel dezelfde periode een totaal verschillend beeld. In maart publiceerde de Universiteit van Amsterdam een groot onderzoek onder ruim 31.000 Nederlandse middelbare scholieren. De onderzoekers keken naar de ontwikkeling van lhbtiq+-opvattingen tussen 2021 en 2024. Hun conclusie was helder. De opvattingen waren grotendeels stabiel gebleven. Er was een kleine verschuiving in conservatieve richting. Een halfjaar later verschijnt het HBSC-onderzoek van de Universiteit Utrecht en het Trimbos-instituut. Ook een groot Nederlands onderzoek onder scholieren. Daar komt een heel ander beeld uit. Tussen 2021 en 2025 daalt het aandeel jongens met een positieve houding tegenover homoseksualiteit van ongeveer 40 naar 22 procent. Bij meisjes van 78 naar 51 procent. Dat zijn geen nuances. Het ene onderzoek ziet over 2021 tot 2024 nauwelijks verandering. Het andere meet over 2021 tot 2025 een daling van 18 procentpunt bij jongens en 27 procentpunt bij meisjes. De onderzoeksperioden overlappen vrijwel volledig. De eerste journalistieke vraag ligt dan voor de hand. Hoe kunnen twee grote Nederlandse onderzoeken over vrijwel dezelfde jaren zulke verschillende beelden opleveren? De NOS stelt die vraag niet. Het UvA-onderzoek wordt zelfs niet genoemd. De lezer krijgt dus niet te horen dat enkele maanden geleden een groot Nederlands onderzoek verscheen dat een wezenlijk ander beeld gaf. In plaats daarvan gaat de NOS uitgebreid op zoek naar oorzaken voor de daling. De ontwikkeling zou ‘niet uit de lucht komen vallen’. Daarna volgen politici die seksuele diversiteit ter discussie stellen, een conservatief-christelijke campagne rond Lentekriebels, weerstand tegen regenboogvlaggen en Paarse Vrijdag, sociale media, de manosphere en Andrew Tate. Pas daarna vermeldt de NOS dat volgens de onderzoekers meer onderzoek nodig is om een causaal verband tussen dergelijke ontwikkelingen en de verminderde acceptatie van homoseksualiteit aan te tonen. Desinformatie wordt in hetzelfde artikel aangevoerd als mogelijke verklaring voor veranderende opvattingen onder jongeren, terwijl de NOS zelf een uitgebreid verklarend verhaal bouwt rond verbanden waarvan de onderzoekers zeggen dat de causaliteit niet is vastgesteld. Ondertussen blijft het recente onderzoek dat een wezenlijk ander beeld laat zien volledig buiten beeld. De NOS heeft een enorm bereik en bericht hier over een gevoelig onderwerp waarin homoseksualiteit, religie, politiek en jongeren bij elkaar komen. Dan mag je verwachten dat onzekerheid in het onderzoek het vertrekpunt van de journalistiek is. Als twee grote Nederlandse onderzoeken over vrijwel dezelfde periode zo verschillend uitpakken, onderzoek je eerst dat verschil. Daarna kun je proberen te verklaren wat er maatschappelijk is gebeurd. Hier gebeurt het omgekeerde. Een spectaculaire ontwikkeling wordt als uitgangspunt genomen, een relevant onderzoek met een afwijkende uitkomst blijft buiten beeld en vervolgens krijgt de lezer een reeks mogelijke oorzaken voorgeschoteld waarvoor het causale bewijs ontbreekt. Daarmee ontstaat een verhaal dat stelliger oogt dan de wetenschap waarop het is gebaseerd. Dat is nu juist het risico waarvoor goede journalistiek ons zou moeten behoeden. Nederlandse jongeren zijn veel negatiever gaan denken over homoseksualiteit https://t.co/0Ee97N6tWP #homoseksualiteit #jongeren #onderzoek

Ik lees bij de NOS dat Nederland is gezakt naar plaats 46 op de wereldranglijst voor gendergelijkheid. Namibië staat vierde. Dan wil ik weten wat hier eigenlijk wordt gemeten. In Namibië is de gezonde levensverwachting voor vrouwen 54,6 jaar en voor mannen 51 jaar. Dat levert vrijwel volledige gendergelijkheid op. Een derde van de vrouwen tussen 15 en 49 heeft sinds haar vijftiende fysiek geweld meegemaakt en 15 procent seksueel geweld. Dat geweld telt niet mee. Ook politiek krijg je vreemde uitkomsten. Namibië heeft een vrouwelijke president en dat telt mee. Nederland heeft nooit een vrouwelijke premier gehad en dat telt ook mee. Drie van de vier grootste Nederlandse steden worden ondertussen door vrouwen bestuurd. Dat telt niet mee. De index kijkt niet naar lokaal bestuur. Verschillende politieke systemen worden zo langs een meetlat gelegd die vooral naar de nationale top kijkt. Vervolgens vraagt de NOS een hoogleraar waarom Nederland zo laag staat. Hij begint over deeltijdwerk, kinderopvang en de verdeling van zorgtaken. Geen van die drie is een indicator in de ranglijst die hij op dat moment probeert te verklaren. Daar gaat het journalistiek mis. Plaats 46 wordt behandeld als een diagnose van Nederland en de hoogleraar mag vervolgens de kwalen benoemen. Terwijl de eerste vraag voor de hand ligt. Hoe kan Namibië vierde staan? Dat verwacht ik van een journalist. En van een hoogleraar. “Nederland zakt verder weg op wereldwijde ranglijst voor gendergelijkheid” https://t.co/Va7VJGiUcv #Gendergelijkheid #Nederland #Vrouwenrechten

Ja dit houdt me nu wel even bezig. Een Nederlands gezin isoleert zijn huis, koopt een warmtepomp en gebruikt daardoor minder energie. Tegelijk staat er in Nederland een datacenter dat rekenkracht levert aan bedrijven en internetgebruikers van Londen tot Singapore. Het volledige stroomverbruik van dat datacenter wordt vervolgens op de Nederlandse rekening gezet en gebruikt om te constateren dat de energiebesparing van dat Nederlandse gezin teniet wordt gedaan. En omdat Nederland daardoor zijn klimaatdoel niet haalt, komt Den Haag met nieuwe maatregelen voor Nederland. Je verzint het niet. We worden niet bestuurd door de scherpste messen uit de besteklade. #Energiebesparing #Klimaatdoelen #Duurzaamheid

Een ochtendcolumn China bouwt elektrische auto’s, batterijen, zonnepanelen en robots in een tempo waar Europa met groeiende verbazing naar kijkt. BMW en Volkswagen zijn te duur, reageren te langzaam en hebben technologische ontwikkelingen gemist. Europese bedrijven moeten innovatiever, flexibeler en sneller worden. China laat zien hoe het moet. Het is inmiddels bijna de standaardanalyse van de Europese industrie. Europa heeft ondertussen vijftig jaar welvaart gebruikt om een samenleving op te bouwen waarin vrijwel ieder risico rond arbeid is geregeld. Pensioen, vakantiegeld, betaalde vakantiedagen, arbeidsongeschiktheid, ontslagbescherming, medezeggenschap, loondoorbetaling bij ziekte, veiligheid, milieuregels en sociale plannen zijn vastgelegd in wetten, cao’s en contracten. We hebben onze welvaart in beton gegoten. Dat was ook de bedoeling. Economische vooruitgang werd vertaald in meer inkomen, vrije tijd, zekerheid en bescherming. Hoe hard dat beton inmiddels is, blijkt zodra iemand eraan komt. Een minister schreef deze week over twee jaar loondoorbetaling bij ziekte en kreeg een stroom van kritiek over zich heen. Een procent koopkrachtverlies kan cao-onderhandelingen laten vastlopen en een versobering van pensioen, WW of ontslagbescherming brengt vakbonden en politiek onmiddellijk in beweging. We verdedigen iedere centimeter van het welvaartsniveau dat we in een halve eeuw hebben opgebouwd. Voor BMW en Volkswagen bestaat datzelfde welvaartsniveau uit kosten, verplichtingen en beperkingen. Een werknemer kan niet van vandaag op morgen worden ontslagen, een fabriek niet zonder enorme kosten worden gesloten en arbeidsvoorwaarden niet even worden aangepast omdat een Chinese concurrent goedkoper produceert. Een Europese auto draagt pensioen, vakantie, ziekte, sociale premies, arbeidsbescherming, veiligheid en milieu met zich mee. We hebben bedrijven verplicht zich te houden aan de maatschappelijke standaard die we voor onszelf vanzelfsprekend vinden. Daarmee hebben we ook bepaald wat arbeid kost en hoe snel een bedrijf kan bewegen. Aan de andere kant van de vergelijking staat een Chinese werknemer met vijf wettelijke vakantiedagen na een jaar, een veel lager loon en voor arbeidsmigranten een bed in een bedrijfscomplex bij de fabriek. We zouden woedend zijn wanneer BMW voorstelde Duitse werknemers onder zulke omstandigheden te laten werken en wonen. We leggen het land plat wanneer aan onze eigen verworvenheden wordt geraakt, maar bij Temu hoeft niemand eerst naar de arbeidsvoorwaarden te vragen voordat op bestellen wordt gedrukt. Ook een Chinese autofabrikant hoeft geen Duitse cao, twee jaar loondoorbetaling of Europees sociaal plan te bieden voordat het prijsverschil bij de dealer aantrekkelijk wordt. Daarmee wordt het oordeel over de Europese industrie ongemakkelijker. We verplichten BMW en Volkswagen om te produceren binnen de maatschappelijke orde die we zelf met hand en tand verdedigen. Pensioen, vakantie, loondoorbetaling, ontslagbescherming, veiligheid en milieu mogen nauwelijks worden aangeraakt. Zodra we zelf aan de kassa staan, blijken die principes een stuk minder hard. Dan gaat onze euro zonder bezwaar naar een economie waar arbeiders voor veel lagere lonen werken, vijf vakantiedagen hebben en slaapzalen bij fabrieken wonen. We eisen van de Europese werkgever wat we met onze eigen portemonnee niet bereid zijn te betalen. Vervolgens kijken we naar BMW en Volkswagen en verwijten die bedrijven dat ze te duur, te log en niet innovatief genoeg zijn. Daar zit de goedkope moraal. Zolang een ander de rekening betaalt, verdedigen we onze verworvenheden als maatstaf voor een fatsoenlijke samenleving. Zodra de rekening bij onszelf aan de kassa verschijnt, wint de laagste prijs. Daarna gebruiken we precies die prijs om de bedrijven die onze maatschappelijke standaard wel moeten betalen te vertellen dat ze het allemaal verkeerd doen. #Europa #Innovatie #Economie

Een ochtendcolumn Er komt een enorme erfenisgolf aan. Honderden miljarden gaan de komende decennia van oudere Nederlanders naar hun kinderen en kleinkinderen. Vooral vanuit progressieve hoek geldt dat als probleem. D66 schrijft dat grote erfenissen de ongelijkheid versterken, GroenLinks ziet overerving als een belangrijke oorzaak van ongelijke kansen. De redenering daaronder is helder. Concentratie van vermogen leidt tot kansenongelijkheid en erfenissen zouden die concentratie van generatie op generatie versterken. Maar als die eerste stelling klopt, volgt daar ook iets anders uit. Spreiding van vermogen moet langs dezelfde redenering de kansenongelijkheid verkleinen. Nederland heeft in een halve eeuw particulier bezit over een ongekend brede groep verspreid. In 1971 was 35 procent van de woningvoorraad een koopwoning, vijftig jaar later 59 procent. Fiscale ondersteuning van het eigen huis hielp miljoenen gewone werkenden vermogen opbouwen. Mensen die met weinig bezit begonnen, eindigen hun werkzame leven met een huis, spaargeld en vermogen. Nu wordt dat vermogen geërfd. De verspreiding daarvan is geen toekomsttheorie, die is al zichtbaar. In 2023 overleden 168.700 Nederlanders. Tegenover de nalatenschappen waarvoor aangiftegegevens beschikbaar zijn, stonden 274.700 afzonderlijke verkrijgers. De gemiddelde nalatenschap bedroeg €199.000, maar de mediane nalatenschap slechts €45.200 en de mediane bruto verkrijging per erfgenaam €33.200. Kinderen vormen de grootste groep ontvangers en ook de kleinkinderen erven rechtstreeks. Een vermogen dat bij één huishouden zat, valt bij overlijden dus uiteen over meerdere huishoudens en kan een generatie later opnieuw uiteenvallen. De generaties die nu nalaten kregen gemiddeld ongeveer twee kinderen. Dat weten we vrij precies. Eén vermogen wordt er twee, daarna vier en vervolgens acht. Het CPB onderzocht wat dat in de praktijk met de vermogensverdeling doet. De uitkomst is ongemakkelijk voor het politieke verhaal. Erfenissen en schenkingen vergroten de vermogensongelijkheid per saldo niet. Vermogen verschuift van oudere, vermogendere huishoudens naar een minder vermogende generatie en verspreidt zich na verloop van tijd over de nakomelingen. Als concentratie van vermogen kansenongelijkheid veroorzaakt, moet verspreiding van vermogen langs precies dezelfde redenering kansenongelijkheid verminderen. Het mechanisme dat vanuit progressieve hoek wordt aangewezen als bron van ongelijkheid, doet volgens het CPB met de vermogensconcentratie dus het tegenovergestelde. Dan resteert het argument dat mensen tegenwoordig pas erven wanneer ze zelf vijftig of zestig zijn en het geld nauwelijks meer nodig hebben. Maar ook dat argument werkt de andere kant op. Hun kinderen zijn inmiddels volwassen, soms zijn er al kleinkinderen. Juist omdat de erfgenaam zelf al een huis, pensioen en spaargeld heeft, kan het ontvangen vermogen sneller worden doorgeschoven naar een volgende generatie. En uitgerekend daar staat de fiscus, politiek aangejaagd door dezelfde progressieve stroming die vermogensconcentratie wil bestrijden. Wie het vermogen vasthoudt, betaalt op dat moment geen schenkbelasting. Wie het verspreidt over kinderen en kleinkinderen, kan die wel verschuldigd zijn. Vasthouden wordt niet belast, verspreiden wel. Zo wordt vanuit de strijd tegen vermogensconcentratie de verspreiding van vermogen fiscaal afgeremd. Daar zit de politieke ironie. Nederland heeft eerst miljoenen huishoudens geholpen particulier vermogen op te bouwen. Nu dat vermogen op grote schaal over kinderen en kleinkinderen begint uit te waaieren, wordt die beweging vanuit progressieve hoek als probleem geduid en zwaardere belasting als oplossing voorgesteld. De eerste democratisering van vermogen was het eigen huis. De tweede is de erfenis. Wie werkelijk gelooft dat concentratie van vermogen kansenongelijkheid veroorzaakt, zou de grootste verspreiding van particulier vermogen in generaties eerder moeten toejuichen dan afremmen. #erfenis #vermogen #ongelijkheid

Een ochtendcolumn Wie de Nederlandse politiek volgt, zou kunnen denken dat het grootste financiële probleem van de overheid is waar het volgende miljard vandaan moet komen. Vermogens moeten meer opbrengen, erfenissen kunnen zwaarder worden belast, fiscale voordelen moeten worden beperkt en hogere en middeninkomens kunnen meer bijdragen. Over de verdeling van de rekening kan Den Haag eindeloos debatteren. Veel minder belangstelling bestaat voor de rekening zelf. Het Rijk gaf in 2025 €447,1 miljard uit. Van een Tweede Kamer zou je verwachten dat een groot deel van de politieke energie vervolgens gaat zitten in een eenvoudige vraag, wat hebben we voor dat geld gekregen? Dat is tenslotte een kerntaak van het parlement. Kamerleden worden niet gekozen om vier jaar campagne te voeren. Ze worden onder meer gekozen om de regering te controleren, en daarbij hoort controleren of publiek geld doelmatig wordt besteed. Onderwijs laat zien wat er gebeurt als die vraag niet wordt gesteld. In 2000 gaf de overheid €20,8 miljard uit aan onderwijs en studietoelagen, in 2024 €56 miljard. Ook als aandeel van de economie namen de uitgaven toe. Ondertussen daalde de Nederlandse PISA-score voor wiskunde van 538 in 2003 naar 493 in 2022 en voor lezen van 513 naar 459. Nederland bereikte bij de laatste meting in alle drie de onderzochte vakken zijn laagste score sinds deelname aan PISA. Dat zou een politiek hoofdpijndossier moeten zijn. Meer geld, slechtere prestaties. Niet omdat iedere extra euro rechtstreeks een hogere PISA-score moet opleveren, maar omdat na twintig jaar één vraag onvermijdelijk wordt, wat hebben al die extra miljarden dan wel opgeleverd? Het onderwijs is geen uitzondering op een verder perfect werkend systeem. De Algemene Rekenkamer constateert dat tekortschietende resultaten van overheidsbeleid Nederland vele miljarden euro’s per jaar kosten. Ministeries produceren honderden beleidsevaluaties. De Rekenkamer onderzocht achttien periodieke rapportages en keek wat de Tweede Kamer ermee deed. Zes werden behandeld, twaalf niet. In slechts twee Kamerdebatten werd naar zo’n evaluatie verwezen. Daar zit de zwakte van ons politieke systeem. We hebben de controle uitstekend georganiseerd, maar politiek levert die controle blijkbaar weinig op. Een nieuw plan kan worden gepresenteerd als vooruitgang. Een belastingverhoging geeft partijen de gelegenheid zich te profileren op eerlijkheid en verdeling. Een conflict over vermogen of erfenissen levert onmiddellijk herkenbare politieke kampen op. Uitzoeken waarom miljarden aan bestaand beleid onvoldoende resultaat opleveren is minder geschikt voor de permanente campagne. Dat mechanisme helpt ook de groei van de overheid verklaren. Als beleid onvoldoende werkt, verdwijnt het probleem niet. Het probleem wordt vervolgens aanleiding voor nieuw beleid en nieuw geld. Het bestaande budget blijft grotendeels staan, het volgende komt erbij en daarna moet opnieuw dekking worden gevonden. Zo kan gebrek aan resultaat uiteindelijk leiden tot hogere uitgaven in plaats van lagere. Vervolgens begint Den Haag weer aan de kant waar de politieke belangstelling wel groot is. Wie gaat het betalen? Het vermogen, de erfenis, de hogere inkomens of de middenklasse? Daarover gaan de debatten, daar worden de verschillen tussen partijen zichtbaar en daar valt electoraal iets te winnen. Maar iedere miljard die doelmatiger wordt besteed, hoeft ook niet opnieuw te worden opgehaald. Je zou verwachten dat daar minstens zoveel politieke belangstelling voor bestaat. Maar die is moeilijk te vinden. We hebben geen behoefte aan nog meer politici die uitleggen wie de rekening moet betalen. We hebben Kamerleden nodig die het minder spectaculaire werk doen waarvoor het parlement bestaat, controleren of de rekening klopt en of we voor al die miljarden krijgen wat ons is beloofd. We gaan elkaar politiek te lijf over wie de rekening betaalt. Vrijwel niemand lijkt zich druk te maken of de rekening zelf wel klopt. #NederlandsePolitiek #Onderwijs #Financiën

Een ochtendcolumn Er zit een vraag onder de politiek van Jesse Klaver waar ik eigenlijk nooit een antwoord op hoor. Wanneer is het wel genoeg? Nederland heeft geen samenleving ingericht waarin mensen die het goed hebben weigeren te delen. We hebben een verzorgingsstaat opgebouwd waarin hogere inkomens netto een groot deel van de rekening betalen en lagere inkomens worden ondersteund. De onderste helft krijgt via belastingen, uitkeringen en voorzieningen per saldo inkomen erbij. Aan de bovenkant gebeurt het omgekeerde. Dat systeem bestaat dankzij tientallen jaren van zorgvuldig opgebouwd maatschappelijk draagvlak. Het is misschien wel het beste bewijs dat solidariteit in Nederland geen mooie gedachte is, maar dagelijkse praktijk. Klaver vindt dat hoge inkomens meer moeten bijdragen. Wat betekent dat precies? We nemen Johan van Dijk. Johan heeft een goede baan en verdient €85.000 per jaar. Daarmee valt hij in de allerhoogste belastingschijf van Nederland. Geen grootindustrieel, gewoon een werknemer met een goed salaris. De meeste zelfstandige ondernemers verdienen minder. Reken vervolgens eens uit wat Johan afdraagt. Inkomstenbelasting en premies, daarna btw over wat hij koopt, accijnzen aan de pomp, energiebelasting, autobelastingen, lokale heffingen en ik vergeet vast nog wat. Voor een profiel van Johan komt de totale belastingdruk uit op iets van 42 à 43 procent van zijn bruto inkomen. Zou die verhouding gedurende een werkzaam leven van veertig jaar gelijk blijven, dan komt dat neer op ongeveer zeventien jaar van zijn leven werken volledig in dienst van het collectief. Dat lijkt mij geen gebrek aan solidariteit, maar eerder het bewijs ervan. Johan werkt veertig uur per week. Meer werken is dus nauwelijks een serieus antwoord. Meer verdienen vraagt voor hem om overuren, een zwaardere functie, meer verantwoordelijkheid of een volgende stap in zijn loopbaan. In 2026 heeft 58 procent van de werkenden een marginale druk boven 49,5 procent. Van elke volgende verdiende euro kan daardoor minder dan de helft in zijn besteedbare inkomen terechtkomen. Daarmee komt de bereidheid om die volgende stap te zetten onder druk te staan. Een promotie betekent doorgaans meer verantwoordelijkheid, meer druk en soms langere dagen. Wanneer van de extra beloning meer dan de helft verdwijnt via belasting, afbouwende heffingskortingen of toeslagen, verandert de rekensom. Het verschil tussen blijven zitten en doorgroeien wordt kleiner. Klaver weet hoe het stelsel werkt. Vanuit die werkelijkheid vraagt hij hogere inkomens om nog meer bij te dragen. Johan werkt veertig uur en draagt gedurende die werkweek fors bij aan het collectief. Wil hij verder komen, dan kan van de financiële opbrengst van die extra inspanning meer dan de helft naar datzelfde collectief gaan. Dagelijks leest Johan het in de krant en op tv, ziet hij het op de socials en hoort hij het in de politiek, de sterkste schouders moeten meer dragen, topinkomens moeten meer bijdragen, vermogens moeten zwaarder worden belast. Steeds dezelfde boodschap. Johan draagt te weinig bij. Nog is het niet genoeg. Daarom interesseert mij de grens. We praten voortdurend over hoeveel verschil te groot is. Veel minder hoor ik hoeveel verschil te klein is. Solidariteit kan niet uitsluitend worden gemeten aan wat nog meer bij iemand kan worden opgehaald. Twintig jaar van zijn leven, vijfentwintig? Solidariteit veronderstelt ook erkenning van wat al wordt bijgedragen. Anders verandert een gezamenlijke afspraak langzaam in een permanente rekening voor steeds dezelfde groep. Wanneer heeft Johan genoeg bijgedragen? Als zeventien van zijn veertig arbeidsjaren niet genoeg zijn en van de opbrengst van verdere inspanning meer dan de helft naar het collectief kan gaan, hoeveel moet Johan dan nog doen voordat Klaver zegt, dit is wel genoeg? #solidariteit #belastingdruk #verzorgingsstaat

Een ochtendcolumn Femke Halsema trekt aan de bel. De leefbaarheid van Amsterdam staat onder druk. Dakloosheid, drugsgebruik en mensen met psychiatrische problemen zijn steeds zichtbaarder op straat. Gemeenten kunnen dat volgens de burgemeester niet meer oplossen. Den Haag moet helpen. Daarmee staat de oplossing eigenlijk al vast. Meer geld. Gemeenten hebben hun werkterrein de afgelopen decennia enorm uitgebreid. Klimaat, energietransitie, diversiteit, inclusie, integratie, ongelijkheid en internationale solidariteit kregen allemaal een plaats in het stadhuis. Voor steeds meer maatschappelijke problemen kwam gemeentelijk beleid. Dat is ook terug te zien in de omvang van de organisatie. Amsterdam telde in 2018 14.411 interne fte. Inmiddels werken bij de gemeente ruim 20.000 fte. Terwijl de bevolking in die periode met ongeveer 10 procent groeide, groeide het ambtelijke apparaat onder het het bewind van Halsema met bijna 40 procent. Terwijl een gemeentebestuur in de kern een paar eenvoudige taken heeft. De stad moet schoon en veilig zijn. De openbare ruimte moet worden onderhouden. Overlast moet worden aangepakt. Er moeten woningen zijn. Op die kerntaken worden de Amsterdamse cijfers pijnlijk. In 2025 vond nog maar 31 procent van de Amsterdammers de eigen buurt schoon. Het rapportcijfer voor het schoonhouden van straten en stoepen zakte naar 5,8. Er kwamen 265.000 meldingen over afval en reiniging binnen, 16 procent meer dan een jaar eerder. Bij meldingen over het schoonmaken van de openbare ruimte werd 59 procent binnen de afgesproken termijn afgehandeld. De gemeentelijke norm is 90 procent. In de binnenstad daalde het cijfer voor schone straten en stoepen van 6,9 in 2015 naar 5,4 in 2025. Bewoners geven de binnenstad inmiddels een 4,0. Vervuiling is geen esthetisch probleem. Onderzoek naar wanorde in de openbare ruimte laat zien dat zichtbare verwaarlozing de sociale norm verzwakt. Afval, graffiti en achterstallig onderhoud vergroten de kans dat ook anderen regels overtreden. De omgeving vertelt voortdurend welk gedrag blijkbaar wordt geaccepteerd. Daar bestaat inmiddels voldoende empirisch onderzoek naar. Als een organisatie de kerntaken steeds slechter uitvoert, ligt de eerste vraag voor de hand, waar gaat de beschikbare capaciteit eigenlijk naartoe? Amsterdam heeft steeds meer taken naar zich toegetrokken en krijgt de meest zichtbare taken steeds moeilijker voor elkaar. Toch gaat de discussie direct over geld. Dat geld moet uit Den Haag komen. Den Haag heeft geen eigen geld, dus uiteindelijk komt de rekening bij de belastingbetaler terecht. Daarna volgt de bekende politieke discussie over wie die rekening moet betalen. De breedste schouders zullen ook deze lasten moeten dragen vermoed ik. Zo wordt een vuile en onrustige stad uiteindelijk een financieringsvraagstuk. Of Amsterdam te veel doet, geld verkeerd besteedt of onvoldoende presteert, verdwijnt naar de achtergrond. Extra geld is de oplossing voordat duidelijk is geworden waarom het bestaande geld niet voldoende resultaat oplevert. Landelijk werkt het inmiddels hetzelfde. Nieuwe politieke ambities worden nieuwe overheidstaken. Er komen ambtenaren, subsidies, programma’s en organisaties bij. Zodra de kosten oplopen, begint de zoektocht naar extra inkomsten. Schrappen komt nauwelijks ter sprake. Amsterdam kan ook bij het begin beginnen. Zorg dat de stad schoon en veilig is. Zorg voor woningen, bereikbaarheid, onderhoud en handhaving. Kijk daarna wat er nog meer op het stadhuis moet gebeuren en wat kan verdwijnen. Halsema vraagt Den Haag om meer middelen omdat Amsterdam de problemen op straat niet meer aankan. Maar voordat de rest van Nederland wordt gevraagd daarvoor te betalen, ligt een eenvoudiger vraag voor, waarom doet Amsterdam zoveel andere dingen terwijl de gemeente iets simpels als de eigen straten niet op orde krijgt. Misschien heeft Amsterdam geen groter budget nodig. Misschien heeft Amsterdam een kleinere agenda nodig. #Amsterdam #Gemeente #Leefbaarheid

Niet alleen D66 verkoopt onzin nu ook het ministerie. Er is niets nieuws aan deze locaties. In Leeuwarden wordt er al vijf jaar volop gebouwd. Wat wel nieuw is, is dat het ministerie kennelijk het marketingverlengstuk is geworden van een politieke partij. #politiek #D66 #Leeuwarden

Dit bericht zegt vooral iets over D66. De vijf nieuwe bouwlocaties zijn gewoon bestaande woningbouwprojecten. In Middelsee in Leeuwarden wordt zelfs al vijf jaar volop gebouwd en staan honderden huizen. De minister geeft zulke projecten een nieuwe rijksstatus. D66 maakt daarvan, kijk, onze minister wijst bouwlocaties aan en levert de beloofde doorbraak. Een administratieve aanwijzing wordt verpakt als politieke prestatie. Dat is ongeveer het verschil tussen besturen en marketing #D66 #Woningbouw #Politiek

Een ochtendcolumn Met verbazing keek ik naar het item over de sluiting van Transcom in Groningen. Zo’n 150 mensen verliezen hun baan omdat het werk naar Spanje verhuist. Hans Spekman van de FNV en PRO-Kamerlid Julian Bushoff kregen ruim baan voor hun verhaal. Bij Spekman lag de verklaring bij het bedrijf, kosten besparen, winst boven werknemers stellen. Het merkwaardige is dat de FNV zelf goed weet wat hier gebeurt. FNV-bestuurder Izabela Muchowska zegt over precies deze sluiting dat de loonkosten in Spanje ongeveer een derde bedragen van die in Nederland. Dat is geen verhaal over een bedrijf dat kan kiezen tussen een winstgevende Nederlandse vestiging en een nog winstgevender Spaanse. Opdrachtgevers zijn jarenlang meegegaan in de stijgende Nederlandse tarieven. Maar ook die bereidheid heeft een grens. Het minimumloon is sinds 2020 met ruim 33 procent gestegen, in januari 2023 kwam er in één klap ruim 10 procent bij en de FNV vindt dat nog onvoldoende: het minimumloon moet naar €18 per uur. Dit type dienstverlening kent een vrij harde prijsgrens. Een opdrachtgever kan niet onbeperkt meer betalen omdat Nederland arbeid steeds duurder maakt. Op enig moment is een uur klantenservice eenvoudig niet meer waard dan het beschikbare tarief. Tegen dat tarief is het werk in Nederland nu onuitvoerbaar. En dit is bij uitstek werk dat kan vertrekken. De Nederlandse klant blijft dezelfde, het gesprek blijft Nederlands en de dienstverlening verandert nauwelijks. Alleen de headset staat voortaan in Spanje of Marokko. Niet omdat daar een paar procent extra marge lonkt, maar omdat het werk daar tegen het beschikbare tarief nog wel kan worden uitgevoerd. Nederland heeft zichzelf simpelweg uit deze markt geprijsd. Ik ken Nederlanders die dit soort werk in Spanje doen. Het is een economische houdgreep. Je verdient genoeg om er te leven, maar nauwelijks genoeg om iets op te bouwen. Het wrange is dat zo precies een arbeidsmarkt ontstaat waartegen de FNV in Nederland zegt te strijden. De baan is niet verdwenen. De baan is geëxporteerd. En vervolgens staat de voorzitter van diezelfde FNV voor de camera het verdwijnen van banen te verklaren uit winstbejag en aandeelhoudersbelang. Ik zie daar vooral bestuurlijk opportunisme en intellectuele leegte. Eerst jarenlang politieke druk uitoefenen om de prijs van arbeid op te drijven en vervolgens, wanneer internationaal verplaatsbaar werk daadwerkelijk vertrekt, de onderneming aanwijzen als verantwoordelijke. Bushoff gebruikte dezelfde ontslagen vervolgens om zich te keren tegen de verkorting van de WW. Daarmee wordt het bijna circulair. Eerst wordt arbeid in Nederland zo duur dat een deel ervan niet meer tegen het beschikbare tarief kan worden uitgevoerd. Wanneer de banen dan vertrekken, worden de ontslagen werknemers vervolgens het argument voor ruimere sociale zekerheid. Het meest verbaasde mij het journalistieke podium van de NOS. De tegenvraag lag voor het oprapen. De eigen FNV-bestuurder zegt dat de loonkosten in Spanje nog ongeveer een derde van de Nederlandse bedragen. De FNV wil tegelijkertijd naar een minimumloon van €18. Vraag Spekman dan eens wat hij verwacht dat er met internationaal verplaatsbare arbeid gebeurt wanneer Nederland de prijs ervan steeds verder opdrijft. Spekman en Bushoff stonden de gevolgen te veroordelen van beleid waarvoor ze zelf al jaren pleiten. Dat het werk verdwijnt en dat mensen op straat komen te staan, is mede hun verantwoordelijkheid. De journalistieke verantwoordelijkheid begint bij de vraag waarom niemand hen daarmee confronteerde. Die vraag kwam niet. Zo konden degenen die mede verantwoordelijk zijn voor het verdwijnen van deze banen zich presenteren als verdedigers van de mensen die daardoor op straat kwamen te staan. #arbeidsmarkt #werkgelegenheid #minimumloon

Een ochtendcolumn Er is een politieke stroming die weliswaar steeds kleiner wordt, maar Nederland nog altijd in een houdgreep houdt. Het NOS-artikel over de vastgelopen begrotingsonderhandelingen laat zien hoe dat werkt. Er moet een begroting worden gemaakt. Er moet dus ergens minder worden uitgegeven of meer geld worden opgehaald. Meteen verschijnt de tegenstelling uit de vorige eeuw, gewone mensen, krijgen de rekening gepresenteerd, terwijl het kabinet zich druk zou maken om miljonairs. Kijk naar wie de rekening werkelijk betaalt en dat verhaal wordt lastig vol te houden. De onderste helft van de inkomensverdeling ontvangt gemiddeld meer van de overheid dan via belastingen en premies wordt betaald. Vanaf ongeveer het midden draait dat om. Van de netto bijdragen van de bovenste helft kwam in een CPB-analyse ruim de helft van de hoogste 10 procent. De hoogste 20 procent betaalde samen ongeveer driekwart. De geldstroom is vrij duidelijk. Een relatief kleine groep betaalt het grootste deel van de rekening waarmee Nederland inkomen en voorzieningen herverdeelt. In de politiek wordt het precies andersom verteld. Minder uitgeven betekent dat gewone mensen de rekening krijgen. Meer ophalen bij de groep die netto al het meeste betaalt heet eerlijk verdelen. Zo krijgt iedere uitgave een groep die er recht op heeft, terwijl voor de rekening steeds naar dezelfde kant wordt gekeken. Daar loopt het bestuur op vast. Iedere bezuiniging wordt afbraak. Iedere beperking wordt verlies. En zodra inkomsten en uitgaven niet meer bij elkaar passen, moet opnieuw meer geld worden opgehaald. Het probleem zit dieper. Deze politiek houdt zich vrijwel uitsluitend bezig met het verdelen van wat Nederland heeft en nauwelijks met de vraag hoe Nederland meer kan verdienen. Terwijl daar de gezamenlijke opdracht ligt. Zonder groei van productiviteit, bedrijven, investeringen en inkomens valt er uiteindelijk ook minder te verdelen. Juist daar zouden politiek verschillende partijen elkaar nu moeten kunnen vinden. Niet tegenover elkaar uitrekenen wie de rekening krijgt, maar samen werken aan het verdienvermogen waarop de hele verzorgingsstaat rust. Een sterke economie is geen belang van miljonairs. Iedereen die afhankelijk is van onderwijs, zorg, sociale zekerheid of een uitkering heeft belang bij dezelfde sterke financiële basis. Dat maakt de huidige impasse zo tekenend. Een minderheidskabinet biedt de oppositie uitzonderlijk veel ruimte om beleid af te dwingen en meters te maken. Die kans verdwijnt zodra ieder begrotingsdebat opnieuw wordt teruggebracht tot wie iets moet inleveren en bij wie nog iets te halen valt. Nederland bestaat allang niet meer uit arbeiders aan de ene kant en kapitalisten aan de andere. Werknemers hebben huizen en pensioenvermogen, ondernemers werken zelf mee in hun bedrijf en miljoenen Nederlanders bouwen gedurende hun werkzame leven vermogen op. De politiek zit muurvast in een tegenstelling die voor de meeste mensen allang niet meer bestaat. Zolang de politiek vooral verdeelt wat er is, in plaats van samen te vergroten wat er te verdelen valt, wordt ook de verzorgingsstaat steeds moeilijker te financieren. 'Muurvast', 'rommeltje' en 'kleurloos': steun voor begroting kabinet nog steeds ver weg https://t.co/ButKDSGVgq #Politiek #Economie #Begroting

Tadek Solarz Aug 20

Bij hoge uitzondering. Chris Klomp schrijft, “Ze (boeren) bezetten 54% van de grond voor 1,4% bijdrage aan het BBP.” Landbouw gebruikt 54% van de grond en levert 1,4% van het BBP. Dat klinkt als een gewichtige economische vergelijking, maar oppervlakte en toegevoegde waarde hebben geen voorgeschreven verhouding tot elkaar. Een advocatenkantoor op de Zuidas kan op duizend vierkante meter meer BBP produceren dan een boer op honderd hectare. Daaruit volgt niet dat advocaten grond honderdduizend keer efficiënter gebruiken. De ene activiteit produceert juridische diensten, de andere voedsel. De benodigde hoeveelheid grond is onderdeel van het productieproces. Trek de redenering door en het probleem wordt nog duidelijker. Natuur gebruikt nogal veel grond en levert ongeveer 0% van het BBP. Een hectare bos verliest volgens deze maatstaf vrijwel iedere economische vergelijking met een hectare kantoren, distributiecentrum of datacenter. Wie BBP per hectare als maatstaf kiest, heeft daarmee een uitstekend economisch argument geformuleerd om zowel boerenland als natuur vol te bouwen. Je kunt twee percentages leuk naast elkaar zetten maar daarmee ontstaat nog geen economische samenhang. #Economie #Landbouw #Duurzaamheid

Tadek Solarz Aug 19

Een ochtendcolumn Gisteren ging het hier over ambtenaren die zich bij Extinction Rebellion hebben aangesloten en zich op hun ambtseed beroepen. Een ambtenaar dient het algemeen belang. De vraag bleef liggen wie bepaalt wat dat algemeen belang eigenlijk is. Extinction Rebellion heeft daarop een helder antwoord. In de Verklaring van de Rebellie stelt de beweging dat de overheid niet langer in het algemeen belang handelt en daarmee het sociaal contract heeft geschonden. Daaruit volgt volgens XR het recht en de plicht tot verzet. Wetten overtreden en het dagelijks leven ontregelen horen daarbij. Daar gebeurt iets merkwaardigs. XR bepaalt zelf wat het algemeen belang is, stelt vervolgens vast dat de overheid daarin tekortschiet en ontleent aan die eigen vaststelling een rechtvaardiging voor burgerlijke ongehoorzaamheid. Het probleem zit in die constructie. Een actiegroep verklaart de eigen opvatting tot algemeen belang en gebruikt datzelfde algemeen belang vervolgens als legitimatie voor het eigen handelen. Degene die de claim doet, beoordeelt daarmee ook de claim. Het algemeen belang werkt in een democratie anders. Geen enkele maatschappelijke groepering beschikt daarover. Het ontstaat uit de afweging van uiteenlopende belangen en opvattingen binnen de democratische rechtsorde. Een actiegroep mag proberen die afweging te beïnvloeden, zoals iedere burger, ondernemer, vakbond of belangenorganisatie dat mag. De eigen opvatting tot algemeen belang verklaren geeft die opvatting geen bijzondere status. Toch duikt precies die claim op in de vergelijking met boerenprotesten. XR zou voor het algemeen belang strijden, boeren voor het eigen bedrijf en inkomen. Daarmee wordt een onderscheid gemaakt dat alleen bestaat wanneer de claim van XR op het algemeen belang vooraf wordt aanvaard. Een boer mag voor de eigen boterham demonstreren. Een werknemer mag staken voor meer loon. Een ondernemer mag voor het eigen bedrijf opkomen. Geen van hen hoeft aan te tonen dat het eigen belang samenvalt met het algemeen belang. Het recht om voor een belang op te komen hoort bij een democratie. Het algemeen belang geeft geen extra demonstratierecht en geen extra ruimte om regels te overtreden. Een snelwegblokkade krijgt geen andere juridische betekenis doordat een activist het doel van de actie tot algemeen belang verklaart. Dezelfde regels gelden voor iedereen. Iedere actiegroep kan immers dezelfde redenering gebruiken. Een boerenorganisatie kan voedselzekerheid tot algemeen belang verklaren. Een beweging tegen immigratie kan woningnood en sociale samenhang aanwijzen. Een actiegroep tegen abortus kan de bescherming van ongeboren leven algemeen belang noemen. Vervolgens kan iedere beweging vaststellen dat de overheid daarin tekortschiet en daaruit een recht op burgerlijke ongehoorzaamheid afleiden. De overtuiging verandert, de redenering blijft intact. Iedereen mag beweren voor het algemeen belang op te komen. Niemand kan aan die eigen bewering bijzondere rechten ontlenen. De rechtsstaat bestaat om precies dat te voorkomen. #ExtinctionRebellion #AlgemeenBelang #Democratie

Tadek Solarz Aug 18

Een ochtendcolumn Een groep ambtenaren die zich heeft aangesloten bij Extinction Rebellion wil dat het kabinet klimaatverandering uitroept tot nationale noodsituatie. De ambtseed zou daartoe verplichten, een ambtenaar dient het algemeen belang. Dat klinkt vooral overtuigend zolang de definitie van het algemeen belang overeenkomt met de eigen overtuiging. Stel dat honderd ambtenaren van Justitie, IND en COA zich aansluiten bij een beweging die de Nederlandse grenzen wil sluiten. Immigratie bedreigt volgens de groep de woningmarkt, verzorgingsstaat en sociale samenhang. Het kabinet moet daarom een nationale migratienoodsituatie uitroepen. Bij weigering volgt de gang naar de rechter. De ambtseed laat volgens de betrokken ambtenaren geen andere keuze. Het debat over ambtelijk activisme zou vermoedelijk onmiddellijk veranderen. Principieel verandert er niets. Klimaatactivist en migratieactivist volgen dezelfde redenering, een politieke overtuiging wordt tot algemeen belang verklaard en het ambt verschaft een bijzondere verantwoordelijkheid om daarvoor op te komen. Daar zit de verwarring. Een ambtenaar werkt voor het algemeen belang, maar bepaalt niet zelfstandig wat dat belang inhoudt. Daarover gaat politiek. Klimaat, migratie, belastingen, defensie en landbouw zijn politieke onderwerpen omdat over de gewenste uitkomst legitiem verschil van inzicht bestaat. Juist daarom heeft de ambtelijke organisatie een bijzondere positie. Ministers komen en gaan, kabinetten wisselen van kleur. Het ministerie dat vandaag een ruimhartig asielbeleid uitvoert, kan morgen opdracht krijgen immigratie te beperken. De kwaliteit van het ambtelijk apparaat ligt in het vermogen beide opdrachten professioneel uit te voeren, binnen wet en rechtsstaat. Dat sluit tegenspraak niet uit. Een ambtenaar mag waarschuwen dat beleid onuitvoerbaar, onrechtmatig of onverstandig is. De Raad van State benadrukte bij de nieuwe ambtseed die professionele verantwoordelijkheid, en waarschuwde tegelijk dat de ambtseed geen afbreuk mag doen aan politieke neutraliteit. De grens wordt zichtbaar wanneer professioneel advies overgaat in politieke mobilisatie vanuit het ambt. Ambtenaren hebben vrijheid van meningsuiting, vereniging en demonstratie. De Ambtenarenwet begrenst die vrijheid wanneer de goede vervulling van de functie of de openbare dienst in gevaar komt. De gedragscode van het Rijk verlangt daarnaast onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Daarmee komt de burger in beeld. Een asielzoeker tegenover een IND-ambtenaar hoort zich niet af te vragen of de behandelaar zaterdag demonstreerde voor gesloten grenzen. Een ondernemer met een klimaatvergunning hoort evenmin te hoeven onderzoeken of de behandelend ambtenaar actief is bij Extinction Rebellion. Vertrouwen in de overheid veronderstelt dat persoonlijke politieke overtuigingen bij het loket verdwijnen. De symmetrie maakt het principe zichtbaar. Wie de klimaatactivistische ambtenaar vanuit het ambt politieke druk laat uitoefenen, moet dezelfde ruimte gunnen aan de ambtenaar die immigratie wil stoppen, abortus wil beperken, ontwikkelingshulp wil afschaffen of kernenergie wil versnellen. Een grondrecht verandert niet van karakter wanneer een andere politieke overtuiging er gebruik van maakt. #Klimaatverandering #Politiek #Ambtenaren

Tadek Solarz Aug 10

Een ochtendcolumn Ik zag een fragment waarin Bob Scholte van Left Laser tegenover Annemarie van Gaal zat. ‘Wat is er mis met een betaalbare woning voor iedereen?’, vroeg Scholte. Van Gaal had niet onmiddellijk een antwoord. Zo ontstaat tegenwoordig een uitstekend filmpje. Kijk eens. Mond vol tanden. Er is natuurlijk niets mis met een betaalbare woning voor iedereen. Net zoals er niets mis is met goede zorg voor iedereen, voldoende inkomen voor iedereen of vrede voor iedereen. Het probleem zit niet in het verlangen. Het probleem begint wanneer een verlangen wordt gepresenteerd als een oplossing. Betaalbare woningen bestaan al. Alleen wil niet iedereen in Appingedam wonen. Stel dat morgen alle Nederlanders in Amsterdam willen wonen. Hebben we dan allemaal recht op een betaalbare woning in Amsterdam? En als het antwoord nee is, wie bepaalt dan wie er wel mag wonen? De hoogste bieder, degene die er geboren is, de verpleegkundige die er werkt, het gezin met kinderen of degene die het langst op een wachtlijst staat? Zelfs met genoeg woningen blijft die vraag bestaan. Een huis aan het Vondelpark is iets anders dan een huis naast de snelweg. Locatie, ruimte en omgeving zijn schaars. Die schaarste kun je niet wegpraten met het woord betaalbaar. En wat betekent betaalbaar eigenlijk? Betaalbaar voor wie? Iemand met een minimumloon, een modaal inkomen of twee salarissen? Zodra betaalbaarheid een recht wordt, moet iemand een norm bepalen en vervolgens vaststellen wie eraan voldoet. Van Gaal bracht het scheefwonen ter sprake. Scholte pareerde dat met de opmerking dat scheefwonen een typische VVD-uitvinding is. Iedereen moet gewoon betaalbaar kunnen wonen. Dat klinkt opnieuw sympathiek en lost opnieuw niets op. Als inkomen niet van belang is, kan iemand met een hoog inkomen in een goedkope woning blijven terwijl iemand met een laag inkomen op de wachtlijst staat. Vinden we dat prima, dan accepteren we die verdeling. Vinden we het onrechtvaardig, dan moeten we inkomens controleren. Krijgt iemand opslag of gaat een partner meer verdienen, dan moet opnieuw worden bepaald of het recht op die woning nog bestaat. Achter de simpele vraag ‘wat is er mis met een betaalbare woning voor iedereen?’ gaat een complete wereld schuil van schaarste, inkomensgrenzen, wachtlijsten, prijzen, controles, voorrang en politieke keuzes. En precies daarin zit de intellectuele leegte van dit soort debat. De vraag klinkt als een argument, maar is in werkelijkheid een wens. Niemand hoeft uit te leggen hoe die wens wordt uitgevoerd, wie ervoor betaalt of wat er gebeurt wanneer twee mensen aanspraak maken op hetzelfde schaarse goed. Probeer daar maar eens in twintig seconden op te antwoorden Ik moest denken aan Brandolini’s law, het kost veel meer energie om onzin te weerleggen dan om die te produceren. Alleen hoeft de oorspronkelijke uitspraak niet eens onzin te zijn. Dat maakt deze manier van debatteren zo effectief. Een sympathiek doel wordt uitgesproken en de ingewikkeldheid van de werkelijkheid wordt vervolgens het probleem van de tegenstander. Bouw betaalbare woningen. Belast de rijken. Grenzen dicht. Pak de vervuilers aan. Schaf het eigen risico af. Minder managers, meer handen aan het bed. Bijna iedere zin bevat iets waars of wenselijks. De werkelijkheid begint bij de volgende vraag. Juist die vraag doet het slecht op beeld. Wie antwoordt moet voorwaarden noemen, gevolgen uitleggen en soms nadenken. De ander hoeft alleen de volgende eenvoudige waarheid klaar te hebben. Twijfel oogt zwak, nuance klinkt als een uitvlucht. Zo beoordelen we intellectuele kwaliteit steeds vaker op presentatievaardigheden. Bestuur vraagt het tegenovergestelde: informatie verzamelen, gevolgen overzien en soms eerst nadenken voordat er een antwoord komt. Misschien moeten we het publieke debat weer per handgeschreven brief voeren. Zodat we wat tijd hebben om na te denken. Het zal allemaal wat langzamer gaan maar de kans bestaat wel dat we daardoor sneller vooruitkomen. #BetaalbareWoning #Huisvesting #SociaalDebat

Tadek Solarz Aug 5

U verwijt rechts dat het niet kan rekenen. Links rekent dus kennelijk beter. Het is niet mijn onderwerp maar getallen wel. Dan rekenen we. Volgens het CBS steeg het aandeel moslims van ongeveer 5 procent in 2010 naar 7 procent in 2024. Onder 15- tot 25-jarigen ligt dat aandeel rond de 14 procent, onder 65-plussers onder de 1 procent. Die leeftijdsopbouw betekent dat cohortvervanging de bevolkingssamenstelling de komende decennia zal beïnvloeden. Hoe sterk, hangt af van migratie, vruchtbaarheid en secularisatie. Dat bewijst geen ‘omvolking’, maar ondersteunt evenmin zonder meer de stelling dat het aandeel vanzelf rond de 5 à 6 procent blijft. Als u anderen verwijt niet te kunnen rekenen, laat dan ook de berekening zien. # demografie # migratie # cijfers

Tadek Solarz Jul 21

Ik moet nog wennen aan het idee dat het vergrootglas leggen op het functioneren van de overheid vooral als rechts-conservatief wordt gezien. Dat verbaast mij. Een progressieve overheid heeft er toch net zo veel belang bij dat belastinggeld doelmatig wordt besteed, dat contracten goed worden opgesteld en dat de overheid zichzelf controleerbaar organiseert. Goed bestuur zou geen ideologisch thema moeten zijn, maar een democratisch uitgangspunt. #GoedBestuur #Democratie #Overheid

Tadek Solarz Jul 17

Een ochtendbeschouwing. Vorige week publiceerde Pointer een analyse waaruit blijkt dat de woningnood in Leeuwarden boven het landelijk gemiddelde ligt. Dat roept een eenvoudige vraag op. Hoe kan een stad met zo’n woningtekort een vergunningprocedure al ruim zes jaar laten duren? Het debat over de woningmarkt op dit platform blijft vaak hangen in theorie. In academische beschouwingen. Ik ben inmiddels zes jaar betrokken bij een vergunningaanvraag voor een appartementencomplex in Leeuwarden. Daardoor kijk ik iets anders naar de gang van zaken. Het eerste ontwerp voorzag in parkeerlagen onder het gebouw, aangevuld met parkeren op eigen terrein en een concept met deelauto’s. Dat werd afgekeurd vanwege de gewenste inrichting van de omgeving. Het gebouw moest tot op de plint worden doorgetrokken, zoals dat heet, en parkeren op eigen terrein was onwenselijk. Het ontwerp werd aangepast. Vervolgens ontstond de vraag waar de auto’s dan wel moesten parkeren. Want zonder parkeren in de nabijheid wordt realisatie wel erg lastig. Kafka had het niet kunnen verzinnen. De parkeerlagen waren juist uit het ontwerp verdwenen omdat de gemeente dat wilde. Het naastgelegen parkeerterrein ligt daar al ruim vijftig jaar en wordt nauwelijks gebruikt. Toch mocht het niet worden aangewezen als oplossing, omdat de gemeente daar in de toekomst mogelijk andere plannen mee heeft. Na zes jaar is het ontwerp uiteindelijk goedgekeurd. Inmiddels gelden nieuwe voorwaarden. De benodigde parkeerplaatsen moeten vooraf worden afgekocht in een gemeentelijke parkeergarage die nog gebouwd moet worden. Geen vergunning of gebruiksrecht maar een afkoop. De hoogte van de afkoopsom is vergelijkbaar met de kosten van het graven van een eigen parkeerkelder onder het gebouw. Daarmee is het project financieel niet meer haalbaar binnen de huidige kaders. Niet omdat het oorspronkelijke plan veranderde, maar omdat de uitgangspunten tijdens het traject veranderden. Er moet opnieuw worden ontworpen, en opnieuw worden gerekend. Na zes jaar begint het proces feitelijk opnieuw. Ik twijfel er niet aan dat iedere betrokken professional handelt vanuit de eigen opdracht. De stedenbouwkundige kijkt naar de kwaliteit van de omgeving. De verkeerskundige kijkt naar parkeren. De planeconoom kijkt naar de financiële kaders. Iedere afzonderlijke afweging is te begrijpen. Het probleem ontstaat wanneer al die afwegingen samen een vergunningprocedure vormen. Niemand is verantwoordelijk voor de uitvoerbaarheid van het geheel. Ondertussen veranderen beleidskaders, stijgen bouwkosten en lopen rentelasten op. Een project dat bij de start haalbaar was, hoeft dat zes jaar later niet meer te zijn. De rijksoverheid gaat er inmiddels van uit dat tussen het eerste initiatief en de oplevering van woningen gemiddeld ongeveer tien jaar zit. Juist de plan- en vergunningsfase wordt daarbij genoemd als de grootste bron van vertraging. Tegelijk liggen er plannen voor ruim 900.000 woningen in de pijplijn. Een groot deel moet dezelfde plan- en vergunningsprocedures nog doorlopen voordat de eerste steen kan worden gelegd. In de afgelopen zes jaar hadden deze appartementen al gebouwd kunnen zijn en hadden bewoners er al jaren kunnen wonen. Dat maakt de inrichting van vergunningprocedures onderdeel van de woningnood. De discussie gaat meestal over het tekort aan woningen. Misschien is het tijd om alleen nog te kijken naar de weg die een woning moet afleggen voordat de eerste steen wordt gelegd. #woningnood #vergunningen #bouwen

Tadek Solarz Jul 13

Een ochtendcolumn Een ondernemer die een nieuwe bestelbus uitstelt omdat een subsidieregeling verandert. Zo opent het NOS-artikel over teruglopende investeringen. De lezer denkt aan een loodgieter, een schilder of een kleine aannemer. Daarmee verdwijnt de werkelijke omvang van het nieuws uit beeld. De cijfers vertellen een ander verhaal. De SRA analyseerde vorig jaar de jaarrekeningen van 7.445 mkb-bedrijven. De omzet steeg met 3,4 procent en de winst met 3,1 procent, terwijl de inflatie 3,3 procent bedroeg. Reële groei bleef daarmee vrijwel uit. De bedrijfskosten stegen met 7,9 procent en de personeelskosten met 8,7 procent. Bijna de helft van de ondernemingen zag de winst dalen. De nieuwe SRA-meting laat zien dat dit geen eenmalige terugval was. Opnieuw maakt ongeveer de helft van de bedrijven minder winst. Investeringen worden uitgesteld. Ondernemers noemen stijgende kosten en onzeker overheidsbeleid als belangrijkste oorzaken. Twee opeenvolgende onderzoeken laten dezelfde ontwikkeling zien. Het artikel wekt de indruk dat het over een paar mkb’ers gaat die een investering uitstellen. De. werkelijkheid is nogal anders. Nederland ís het mkb. Ongeveer 99,8 procent van alle ondernemingen behoort tot deze categorie. Deze bedrijven creëren ongeveer 61 procent van de economische waarde, bieden werk aan het grootste deel van de werknemers in het bedrijfsleven en zijn goed voor ongeveer de helft van alle bedrijfsinvesteringen. Daar begint ook de belastinggrondslag van de overheid. Bedrijven investeren, produceren, maken winst en betalen lonen. Daaruit ontstaan de vennootschapsbelasting, de loonheffingen, de btw en uiteindelijk ook de inkomstenbelasting. Iedere euro die de overheid uitgeeft, moet eerst in de economie worden verdiend. Dat maakt deze ontwikkeling zo zorgelijk. Minder investeringen betekenen minder machines, minder automatisering, minder innovatie en minder uitbreiding. De gevolgen worden niet morgen zichtbaar, maar over enkele jaren. Dan groeit de economie minder hard en blijft ook de belastinggrondslag achter. Het onderzoek noemt daarvoor een duidelijke verklaring. Ondernemers weten steeds minder waar zij aan toe zijn. Belastingen veranderen, subsidies verdwijnen, regelgeving wordt aangepast en vergunningstrajecten duren langer. Investeringen hebben een horizon van tien of twintig jaar. Daar horen stabiele spelregels bij. Voortdurend wisselend beleid vergroot het risico en remt investeringen. Die ontwikkeling staat niet op zichzelf. De energie-intensieve industrie verliest concurrentiekracht. Grote ondernemingen brengen nieuwe investeringen steeds vaker onder in landen waar de voorwaarden gunstiger zijn. Het mkb investeert minder. De industrie investeert elders. Dat zijn geen losse gebeurtenissen. Het zijn signalen dat het Nederlandse verdienvermogen onder druk staat. Toch gaat het politieke debat vrijwel altijd over de achterkant van de begroting. Waar halen we extra belastinginkomsten vandaan? Box 3, erfbelasting, een hoger toptarief of een nieuwe heffing. Dat debat begint aan de verkeerde kant van de economie. De belastinggrondslag ontstaat niet bij de Belastingdienst en ook niet op Prinsjesdag. De belastinggrondslag ontstaat bij bedrijven die durven investeren. Juist daarom schiet dit NOS-artikel tekort. De journalist ziet een mkb’er met een bestelbus. De cijfers laten iets heel anders zien. Nederland is de facto een mkb-economie. Als vrijwel de hele ondernemende economie terughoudender wordt met investeren, is dat geen ondernemersnieuws. Dat is nieuws over de toekomstige welvaart van Nederland. Ondernemers investeren minder door stijgende kosten en onzekerheid https://t.co/4UH9gXDXp6 #MKB #Investeringen #Economie